Van haar kruin tot en met haar hielen wordt ze door de bed-spiraal tegen de grond gedrukt. Ze kan zich nauwelijks ver¬roeren. Liggend op haar buik, met haar kin op het parket en met open mond, hijgt ze als een hond. Toen ze de voordeur hoorde dichtslaan heeft ze in haar paniek haar hoofd gestoten, tegen de hoek van het bed misschien. Nu heeft ze pijn. Moeizaam en zo traag mogelijk om geen geluid te maken, probeert ze een hand onder zich vandaan te halen. Er is weinig ruimte onder het bed. Heel voorzichtig strijkt ze met haar vingers over haar slaap. Een plakkerig gevoel. Bloed? Ze ziet niets. Te donker. Eén ding doet er maar toe: ze moet hier weg. Maar hoe? Hoe kan ze vluchten? De vragen weergalmen in haar hoofd. Waarom is hij op dit tijdstip thuisgekomen? Wat doet hij hier? Vermoedt hij iets? Was hij van plan haar in de val te lokken?
Ze probeert rustig adem te halen, na te denken. Haar neus krie¬belt. Het is een beetje stoffig onder het bed. Niet niezen, niet zuchten, niet beven. Maar de paniek rukt op. Ze sluit haar ogen. Aan de binnenkant van haar oogleden zigzaggen schichten. Haar oren gonzen, haar hart bonkt. Haar borst zit klem, wordt samen¬geperst. Ze krijgt geen adem meer. De angst wekt verlangen op, lokt, onderwerpt haar. Ze geeft zich eraan over als aan een vrese¬lijk genot. Heel even is ze weg, alsof ze het bewustzijn verliest, dan komt ze weer bij. Met al haar kracht drukt ze haar vuisten te¬gen haar mond. Niet huilen, niet schreeuwen, geen enkel geluid maken. Kalm blijven. Hoe kan ze wegglippen uit deze kamer? Er komen scheldwoorden bij haar op die ze anders nooit gebruikt. Weg uit deze kamer... Deze kutkamer. En hij, die lul, die kloot¬zak. Maar het gevloek haalt niets uit.
De man ligt daar, daar, languit op het bed, vlak boven haar. Ze zijn hooguit twintig centimeter van elkaar gescheiden. Zijn ademhaling is te horen. Een regelmatige, rustige ademhaling. Ze ziet hem voor zich: armen gekruist achter de nek, ogen gesloten. Een afschuwelijke gedachte steekt de kop op. Hij moet haar ho¬ren, moet het bonken opvangen van haar hart, dat slaat als een grote trom. En toch verroert hij zich niet. Is hij in slaap gevallen?
De man verplettert haar met heel zijn gewicht. Hij domineert haar, onderdrukt haar. De bedspiraal, vervormd door de krom¬ming van zijn rug, zit vastgeklonken aan haar schouderbladen, aan haar onderrug, haar billen, haar bovenbenen. Dwars door het matras heen meent ze de warmte van zijn lichaam waar te nemen, en de structuur van zijn huid, zijn geur, zijn adem. Ze lijken met elkaar verbonden. Gruwelijk vindt ze die opgelegde intimiteit. Een nachtmerrie. Ze heeft een veel te groot risico genomen. Dat ze zo stom is geweest. Het kinderachtige spel is haar naar het hoofd gestegen, ze is net een jochie dat met lucifers speelt en in de ban van het vlammetje het hele huis in de fik steekt.
Hoe lang moet ze hier nog blijven? En de kinderen? En haar man? De tweeling komt zo thuis. Als ze zien dat hun moeder er niet is, zullen ze naar de buurvrouw van driehoog gaan of naar de studenten van tweehoog. Zodra tegen etenstijd hun maag begint te rammelen, zullen ze ongerust worden. Waar is mamma? Ze zullen hun vader op zijn werk bellen. Ze ziet het tafereel al voor zich: haar man, die verbijsterd en bezorgd, halsoverkop naar huis komt. Waar is ze toch? Om deze tijd is de moeder van de jongens altijd thuis, achter haar computer of achter het fornuis. En het wordt al donker... Als ze haar zouden zien, een gevangene van haar eigen roekeloosheid, onder dat bed waar ze niet onder van¬daan kan, met een bloedend voorhoofd en die man die languit boven haar ligt... Ze zouden zich schamen. Zij schaamt zich ook.
Stilletjes begint ze te huilen. De tranen stromen over haar wan¬gen, vermengen zich met het bloed van haar wond. Een druppel¬tje, zoet en zilt, prikkelt haar tong. Nooit is ze zo bang geweest. Als hij vermoedt dat ze in zijn slaapkamer is, zal hij haar alles betaald zetten. Heel duur betaald zetten.